tax news         


Incomparable prices can be benchmark for transfer price

There are situations where corporations can be tempted to shift profi ts or losses to group companies or to a shareholder. If a company enters into a transaction with an affiliated company or a shareholder the company’s tax inspector will critically look at the pricing of those deliveries or services. The ‘risk’ of profit shifting is obvious. For transfer pricing purposes the benchmark is the price that would have been agreed between unrelated parties in a similar situation, i.e. the comparable uncontrolled price. If a price agreed between unrelated parties is available, but that price is agreed under different circumstances, that price is no comparable uncontrolled price. The Revenue will usually not accept such price as a reference.

In a decision of 20 May 2005 the Dutch Supreme Court decided, however, that the Revenue cannot simply disregard a price that was agreed in exceptional circumstances. Also such exceptional pricing can be relevant for determining the at-arm’s-length transfer price. This does not mean that any price that is agreed between third parties can be copied to obtain the correct transfer price. The decision makes clear that the correct transfer price may be derived by eliminating the (effect of) extraordinary elements from the inaccurate reference price.

more information (will be available in English shortly)

In essentie ging de zaak, waarin de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan, over de volgende casus. Een aantal personen koopt aandelen in een BV van een derde. De BV heeft bezit een aantal beleggingspanden. De koopprijs van de aandelen is te herleiden tot een waardering van de panden van circa 1,1 miljoen. Kort na de aankoop besluiten de aandeelhouders om de panden uit de BV te verkopen aan henzelf. De BV rekent hiervoor een ‘vriendenprijs’ van 900.000. Een taxateur die de panden in opdracht van de aandeelhouders taxeert ten behoeve van de financiering waardeert de panden op dat moment op 1,7 miljoen. De taxateur van de fiscus komt zelfs uit op een waarde van 2,1 miljoen.

De belastinginspecteur berekent de winstcorrectie op 1,2 miljoen, het verschil tussen de marktwaarde van 2,1 miljoen en de koopsom van negen ton. De BV vindt dit onterecht en betoogt dat de onroerende zaken via de aankoop van de aandelen in de BV zojuist zijn aangekocht. Daarbij is een impliciete waardering van 1,1 miljoen gehanteerd. Dit betrof een transactie tussen derden zodat deze waarde als uitgangspunt mag worden gehanteerd. De winstcorrectie zou dus niet hoger kunnen zijn dan 200.000.

Het gerechtshof in Amsterdam geeft de inspecteur grotendeels gelijk omdat de recente koopovereenkomst hier niet maatgevend is. De verkopende aandeelhouder was een dame op hoge leeftijd die de beslommeringen rond de BV niet langer aankon. Door de verkoop werd zij bevrijd van deze ‘last’. Om die reden nam zij genoegen met een prijs die uitzonderlijk laag was. Deze transactie kan derhalve niet worden vergeleken met de transactie tussen de BV en haar aandeelhouders. In de visie van het gerechtshof blijven dan twee relevante waarderingen over: de taxatie van de aandeelhouders (1,7 miljoen) en een taxatie van de fiscus (2,1 miljoen). Omdat de waarheid waarschijnlijk in het midden ligt stelde de belastingrechter de werkelijke waarde vast op het gemiddelde van de twee taxaties, derhalve 1,9 miljoen.

De BV klaagt terecht bij de Hoge Raad over de negatieve uitspraak van het gerechtshof. De Hoge Raad oordeelt dat het gerechtshof de waardering van 1,1 miljoen te gemakkelijk heeft weggewuifd. Ook al zijn de omstandigheden waaronder die prijs tot stand is gekomen bijzonder, dan is daarmee niet gezegd dat deze prijs in het geheel niet meer bruikbaar is om te komen tot de werkelijke marktwaarde. De zaak moet derhalve opnieuw worden bekeken en is verwezen naar een ander gerechtshof.